Mijn “dikke” raam / Stefaan Vervoort

Memorabel aan de nu te verhuizen bibliotheek waren de “dikke” ramen, en dan meer specifiek, mijn dikke raam, gelegen ter hoogte van de “kunst en architectuur” (voor de fans: TW01.7.01). Dat specifieke dikke raam was zo breed als de centrale inkomdeuren van de Plateau, wat wil zeggen: ruimschoots berekend op één persoon, doch onwennig wanneer je het met twee probeert te “bezetten”. Het was geen ‘raam waarin je kan lopen’, om met Jan de Vylder te spreken – maar toch had het iets ruimtelijks, en absoluut iets intiems, waardoor het als een tijdelijke cel of individuele nis fungeerde, verscholen aan de achterzijde van de rekken.

Schermafbeelding 2013-09-27 om 09.30.57

Vaak gebruikte ik het venstertablet als mijn persoonlijke (doch kortstondige) leestoog: een soort reservoir waarop ik een ambitieuze selectie aan boeken uitstalde, om me dan in één – en meestal het eerste – boek te verliezen. Steevast waren dit ook dezelfde boeken: The Return of the Real van Hal Foster, een prachtig geschreven compendium over hedendaagse kunst en opvolger van het nog betere Recodings; Bart Verschaffels De Glans der Dingen, een boek dat volgens Geert Bekaert op een briljante wijze ‘over alles en niets gaat’; of De Metastase van het Museum (Vlees en Beton aflevering 8), een collage aan verzuchtingen over kunst, architectuur en het museum, waarin Paul Robbrecht om de één of andere reden achter een naakt in beeld verschijnt. In het dikke raam leerde ik ook het fantastische werk van kunstenaars-architecten als Gordon Matta-Clark en Luc Deleu kennen.

Met de verhuis van de bibliotheek in zicht besef ik pas hoezeer ik mijn dikke raam ga missen. Net als het gamma 7.01 belichaamde het raam immers een snijvlak tussen twee werelden: binnen en buiten, hier en daar, kunst en architectuur. De dikte van het raam rekte deze grens op tot een tussenzone en tot een vrijplaats, waarbinnen lustig verkend, gecombineerd en geëxperimenteerd kon worden.

  Stefaan Vervoort