Een voorraad voor dorre seizoenen / Christophe Van Gerrewey

Een voorraad voor dorre seizoenen

De privébibliotheek is een van de sterkste paradoxen van onze maatschappij. Alles wordt individueler; elk huis heeft een eigen bioscoop, een sauna, een kookplatform; in privé-bezit wordt geïnvesteerd, terwijl publieke functies nauwelijks overleven. De woning is een wereld op zich, die het zonder de rest van de wereld kan stellen. Alleen voor boeken geldt dit niet. Bijna iedereen is het er stilaan over eens dat het zinloos is om boeken in huis te hebben, aangezien je die (gratis) kan uitlenen in de openbare bibliotheek of (steeds vaker) kan doorbladeren op het internet.

In de talrijke teksten van Geert Bekaert is de privébibliotheek ook (bijna) afwezig. Bekaert heeft over tientallen bibliotheken geschreven (van de Biblioteca Laurenziana, over de Boekentoren, tot aan de universiteitsbibliotheek in Utrecht van Wiel Arets), maar – bij mijn weten – slechts één keer uitvoerig over een privébibliotheek: de hoge boekenkast in de villa in Floirac van OMA/Rem Koolhaas, zodanig ontworpen door Maarten Van Severen dat het soms lijkt ‘alsof de boekenwand te midden van de natuur is opgesteld’, aldus Bekaert.

Bekaert op volgnummer

Ook dat lijkt paradoxaal voor een schrijver die in zijn Antwerpse woning 30.000 titels wist te verzamelen, verspreid over vijf verdiepingen. Waarom deed hij dat? Ook daar heeft hij nauwelijks over geschreven. Op de persconferentie gehouden naar aanleiding van het verschijnen van zijn boek Landschap van kerken in 1987, zei Bekaert: ‘Het is mooi wanneer men een boek ontdekken kan, een onbekend boek waar niemand weet van heeft, ergens opgeborgen in de rekken van een bibliotheek of verloren in het uitstalraam van een boekhandel, een boek dat men niet zoekt, dat daar ineens voor u staat en waarop men verliefd wordt. Men wil het hebben, god weet waarom, men wil het lezen, het kennen, het behouden ook, het opslaan als een voorraad voor dorre seizoenen.’

Het willen hebben van boeken blijft iets mysterieus. In het geval van Bekaert is dat mysterie, zoals bij elke schrijver, niet zo groot. Het kan gedeeltelijk verklaard worden door de boeken die hij zelf schreef. Bekaerts teksten zijn ondenkbaar zonder de privébibliotheek van de auteur. Het is door het privébezit van boeken dat ze het werk van hun eigenaar diepgaand kunnen voeden, existentieel beïnvloeden en (minstens) smaak geven, zoals (met een vergelijking van Flaubert) augurken hun karakter krijgen dankzij het gekruide zuur waarin ze rondzweven. Het zal je immers maar gebeuren dat je ‘s nachts wakker schiet, iets wil opzoeken, overschrijven of nagaan, en vervolgens weer in slaap moet vallen omdat het boek niet in je bezit is.

Nu de Bekaertbibliotheek een onderdeel wordt van de boekencollectie van de universiteit van Gent, lijkt de cirkel rond. Want inderdaad is de verzameling boeken van Bekaert nooit zomaar privaat geweest. Of liever: het private bezit was een voorwaarde voor het publieke rendement van de collectie, met de teksten van Bekaert als rentepapieren. Inderdaad: schijnbaar opgesloten in het Antwerpse boekenhuis, vormde deze bibliotheek het fundament onder één levenslange poging tot geschreven maatschappelijke betekenis en kritisch intellectueel werk. In de bibliotheek van de Faculteit Ingenieurswetenschappen en Architectuur kan de Bekaertcollectie tot de maatschappij spreken, niet langer via het werk van één auteur, maar via de activiteiten van vele onderzoekers, studenten en professoren. In elk geval blijven al deze boeken, meer dan ooit, een voorraad voor dorre seizoenen.

Christophe Van Gerrewey

bekaert.20.000